Nachtzwart

Vannacht ben ik mezelf tegengekomen
We botsten, sputterden, wankelden,
kukelden bijna over de rand, maar wisten
net op tijd onder dekens te kruipen

Ze zeggen tijd heelt alle wonden

Maar mijn klok tikt veel te hard en weet niet
dat er dagen voorbijgaan
Ik snap het zelf ook niet. Dat er dingen gebeuren,
dat ik ze zelf doe en dat er soms niets verandert

Buiten zijn er vogels, ranke knoppen
Nieuw groen in een nieuwe wereld
Maar zolang het nog nacht is, sluiten zelfs
de bloemen hun kleuren

Juichen keer twee

10378947_922883381069478_2355798445159200837_nIk ben een beetje overdonderd, verdoofd. Mijn kamer is een bende. Ik heb de was nog
steeds niet gedaan. Er zit nog zand in mijn haren, zand in mijn hoofd en binnen is het warm. Rozig. Gloeiend. Ik ben het en ik ben het echt.

Dit weekend was één groot genieten (en een beetje afzien). Egmond aan zee. De wind, bewegen, en heel veel zee. Bijna meer zee dan strand, nee niet bijna. Altijd meer zee. Maar vooral: mensen. Hele fijne mensen. Spelletjes, samen ontbijten. Aanmoedigen, koukleumen, schreeuwen en juichen. Rennen. Buiten spelen voor gevorderden.
Ik juich nog steeds van binnen, ik ben zo gelukkig.

Youngpoets
Dus toen ik vanochtend/vanmiddag te horen kreeg dat ik de eerste plaats bij Youngpoets had gewonnen stond ik niet helemaal te springen en te jubelen. En dat vind ik eigenlijk heel oneerbiedig, maar ik voelde me al zo goed dat het echt niet beter kon.

Het is ook een beetje apart. Ik schrijf bijna niet, soms wat onsamenhangende krabbels, niets afs. Ik schreef afgelopen maand één gedicht: Zuurtjes.
Dit is wat de jury ervan zei:
“Een fraai, ontroerend gedicht met centraal dat aangrijpende beeld van die pot met zuurtjes, die maar niet snel genoeg geleegd kan worden door het meisje. Mooi zijn ook de verzen: ‘Ik vroeg of iemand het donker aan wilde doen / in dromen gaan de dagen sneller’. Al met al heeft dit gedicht het meest geraakt.”

Dat wordt dus gezegd over iets wat ik schreef. Raaaaaaar. Maar wel om blij van te worden, dus dat ga ik, met een beetje vertraging, zeker doen!

Och, en kijk dit. :)
pwnegmond

Zuurtjes

Er staat een grote pot in de gang,
op een tafeltje met ranke wiebelpoten

Hoezeer ook gefoeterd, gezwegen, geweend,
de zee riep en vader vertrok
De wind van voren, zo’n man was het,
ik was vijf en stond op de drempel,
Moeder vulde de pot met zuurtjes

(Als deze pot leeg is, zal papa thuiskomen)

Ik vroeg of iemand het donker aan wilde doen
in dromen gaan de dagen sneller
Ik pikte extra snoepjes, zo hielp ik hem thuiskomen

Nog steeds vullen we elk jaar de pot bij
en niets is zuurder dan deze suiker

De fik erin

We hadden een kaarsje aangestoken,
jij eigenlijk,
ik vergeet altijd dat dat kan en daarna waar de lucifers liggen

Stilzwijgend blaas je je dromen over de thee, een oranje gloed
in mijn ogen,
meten we de lengte van onze vleugels, wegen we waarden en
de zegening van de regen
die alle tranen wegspoelt

En ik was niet bang meer dat het donker zou worden
want jij weet hoe je vlammen vormt

Mijn eerste keer

O man, dit is eng. En vet. Ik schrijf veel liever anoniem, of voor mezelf, of lekker egoïstisch over mezelf. Met pen op papier, zodat je nog kunt terughalen wat je hebt geschrapt.

Afijn, het was vorige week woensdagavond. Ik had net mijn laatste restje misselijkheid eruit hardgelopen en ik kwam als adrenalinebom de keuken binnen gestampt. Ik had eerder al wat eerste keren bedacht, en ook al wat eerste beginnetjes op een stukje papier gekrabbeld en dat kladblaadje was ik uiteraard kwijtgeraakt, dus eigenlijk had ik gewoon nog helemaal niets.
Duizend woorden, dat vind ik persoonlijk ook wat veel.
Ik wist nog wel dat meerdere ideeën over fietsen gingen. Bovendien had ik de laatste tijd wat uitgeprobeerd met het genre veel-kleine-stukjes-één-thema. Nee, ik weet niet hoe dat genre heet, maar het was me wel bevallen.

Zo gezegd, zo gedaan, anderhalf uur later stond er toch iets aardigs in een conceptmailtje en nog voor er ook maar één spellingcheck had plaatsgevonden was het verstuurd. Met resultaat! Onderstaand ‘ruwe’ verhaal won de verhalenwedstrijd – met als thema ‘Mijn eerste keer’ – van Uitgeverij Oevers en staat 11 oktober met interview in het Noord-Hollands dagblad. Woehoe!
Jeetje, ik ben zo ontzettend blij met de prachtige bos bloemen, misschien wel meer dan met het publiceren zelf, want dat vind ik dus een beetje spannend.
En blijven schrijven? Ik hoop het wel!

2014_10_09

Zonder zijwieltjes

1.
Mijn vader kan mij keihard duwen.
Mijn ‘pietsje’ (van Sintekaas gekege) en ik racen over het fietspad. Drie roestige wielen die hun weg krijsen over het asfalt. Ik doe mee en schreeuw het uit. Bij elke hobbel of kuil kom ik los uit het zadel, maar ik houd me krampachtig vast aan het stuur.
‘En daaaaaar gaan we weer, Zzzzoef!’ schreeuwt mijn vader. Ik lach.
De hond van de buren moet bijna het onderspit delven, maar mijn vader grijpt me net op tijd bij de arm. Mijn vaders armen zijn er altijd om me op te vangen en vaart te geven in de juiste richting. Het kan niet anders dan dat dat de belangrijkste taak van vader-zijn is.

Ik moet drie zijn geweest, dat heb ik teruggeteld aan de leeftijd van de hond van de buren. Een paar jaar geleden hebben we hem begraven, er kwam een molshoop op zijn graf, het leven gaat door.

2.
‘Ik wil niet meeheeeer’. Huilen dit, huilen. Niet met mate.
Mijn vader heeft besloten dat ik zonder zijwieltjes ga fietsen. Mijn benen hebben besloten dat ze niet meer weten hoe ik moet trappen. Mijn fiets heeft besloten dat hij alles behalve recht rijdt. Het lijkt alsof alles voor me besloten wordt, mijn moeder zet mijn helm weer recht op mijn hoofd.
Daarna schreeuwt mijn vader voor de zoveelste keer: ‘Gaan! Fietsen! Trappen! Voor je kijken! Kijk uit!’
Geen van allen, na twee meter lig ik blèrend in een struik. Mijn vader zegt nog een paar krachttermen die ik niet mag verstaan, maar dat helpt natuurlijk niets.
Ik voel me zo klein. Ik ben zo bang. Tessa fietst allang met zonder wieltjes, dat deed ze al met koninginnedag, een oranje vlaggetje achterop.

Mijn vader zucht. ‘Kom we gaan middageten’.
Ook mijn zusje maakt lawaai vanuit de kinderwagen. Na de lunch zingen we liedjes.

3.
Het bruggetje was glad, er lag ijs. Terwijl ik de bocht om ging slipte mijn fiets een beetje. Ik remde, toen was alle weerstand weg.
Al huilend en rillend sta ik een halfuur later weer voor de voordeur. Mijn broek gescheurd en de jasbeschermer in het wiel. Iedereen is al werken of naar school, dan bel ik zelf wel. Maar de conciërge is onverbiddelijk: mijn vader of moeder moet me afmelden.
Na lang aarzelen bel ik ‘mama werk’. Eigenlijk durf ik dat niet, dus duw ik zonder te kijken op het groene telefoontje.

We waren eens op mama’s kantoor met het gezin, ik denk dat ik weet wie aan de andere kant van de lijn tegen me praat. Zij heeft krullen en ziet er aardig uit. Toch luister ik niet. Mijn lip trilt en ik probeer wat slijm weg te slikken, maar mijn keel voelt dik.
Na een poosje hoor ik mama praten. Even later slaat ze haar armen om me heen.
‘Och meisje toch’, zegt ze terwijl ze me tegen zich aandrukt.Ik ben moe van het huilen en rozig van de kou.
‘Ik maak warme chocolademelk voor je’.

4.
‘Ga je mee een stukje peddelen?’ vraag je.
Ik zou niets liever willen, al weet ik niet wat je bedoelt.
Ik ben nog niet zo bedreven in wielertaal, of de taal die wielrenners uitkramen, maar ik kan best een beetje trappen.
Terwijl de eerste lentestralen zich tussen de bomen doorvechten fietsen we. Het is zo fijn, het is zo mooi. Mijn benen draaien als vanzelf, mijn gedachten waaien door mijn mond naar buiten en ik ben zo gelukkig. Dat komt door jou.

Het is als met die armen van mijn vader. Jij zorgt ervoor dat ik harder ga, op de weg blijf en koers houdt. Je beschermt me tegen honden, of muren, en geeft me aanwijzingen hoe ik niet bang hoef te zijn. Dat weet je allemaal niet, maar je doet het toch. Mijn hart op een licht verzet, bibberbenen en koersen.
Zo fietsen we vier jaar en een beetje. Inhalen mag, aanzetten moet. Ik rijd vaak in je wiel, mijn hartslag op hol.
‘Er is geen houwen aan met jou’.
Grijnzen terwijl je je helm afzet. Je zegt het vaak.

5.
Er is inderdaad geen houwen aan.
Alles draait, alles doet pijn. Ik weet niet meer wat boven of onder is. Een hoofd verschijnt maar het draait alweer weg. Mijn hartslag trilt door mijn hele lijf. Ik probeer te bedenken wat er is gebeurd, maar ik ben één en al paniek. En het draait en ik zie vlekken voor mijn ogen die ik niet meer open wil doen. Een golf kots komt omhoog. Iemand tikt op mijn gezicht. Ik val weg.

6.
‘Voorspoedig herstel’ staat er op mijn dossier.
Voorspoed is eigenlijk ook maar relatief. Moet ik mij gelukkig prijzen met een kunstgebit en twee ijzeren pinnen? Of überhaupt dat er nog leven in mij zit? Ik denk van wel.
Ik dronk laatst wodka met een rietje, dat had ik anders nooit gedaan.

De hele nacht heb ik liggen woelen, ik wil zo graag. Mijn hart klopt als een bezetene. Ilona en Willemijn, mijn verpleegsters, helpen me op de fiets. In deze ruimte word je in de gaten gehouden, het ruikt er naar schoonmaakmiddel en fitnessapparaat. Angstzweet staat in mijn handen, maar mijn grijns is niet meer van mijn gezicht af te halen.
‘Ik fiets met je mee’. Geen lievere woorden dan deze. Je klautert naast me op een fiets.
Langzaam draai ik de trappers rond. ‘Je fietst weer!’ fluister je. En dat doe ik. Maar wel met jou.