In de Franse Alpen

Ik hoorde mezelf een aantal keer zeggen dat ik het miste: de echte wereld die ik nooit zo vind in woonwijken, aangelegde plukjes bos, stadslawaai. Ik miste de bergen. Het wandelen. Het buiten zijn. Ik zei dat het zo goed voor me zou zijn, voor mijn longen, mijn hart. Ik hoorde mezelf nog een keer zeggen dat ik zó graag naar de bergen ging en toen dacht ik, nu wordt het zeuren. Nu moet je gaan.

Dat gaf me wel een goed gevoel. Doen wat je zegt. Er weer eens op uit, alleen, niet te veel nadenken, gewoon doen.

Dat was de aanleiding.

Daarna begon het uitzoeken. Dat kan eigenlijk heel snel, maar ik vond het spannend, dus rekte ik het uit. Las over plekken. Raakte verdwaald in het internet. Vroeg rond welke plaatsen geschikt waren, wat ik zou doen. Wikte en woog.
Koos uiteindelijk iets uit waar ik nog weinig over wist.

Toen begon de voorpret.

Met de voorpret begon de lichtelijke stress. Ik mocht absoluut mijn laptopoplader niet vergeten – er moest ook hard gewerkt worden, ik moest een reisverzekering afsluiten want die had ik nog niet in België (kbf).
Die reisverzekering was belangrijk, want zou het wel goed gaan? Hoe gaat mijn lichaam dit vinden? Mijn longen? Wat als er iets gebeurt daar, zo ver van huis?
Uit zelfbescherming nam ik vooral heel veel niet mee: geen trailrunschoenen, geen klein rugzakje, geen fietskleding, geen slaapzak, geen tent etc. Wandelen. Dat mag ik. En ook al wil ik veel meer: Wandelen, niet meer, niet minder.

Als ik maar niet net verkouden werd op de dag dat ik de grens over moest, daar was ik nog het meest zenuwachtig over.

Die zenuwen waren overbodig. Vanuit Leuven was ik sneller in Lyon dan bij mijn oma in de Randstad.

De eerste dag had ik enorme rugpijn en hield ik mezelf voor dat het in verhalen ook altijd net een beetje erger wordt, de oplossing / redding / prins nog net wat onbereikbaarder, voordat er een ommekeer komt.

De tweede dag was de rugpijn weg, maar had ik keelpijn. Ik deed een antigeentest (oef, niets), dronk liters thee, bedacht me om snoepjes te kopen, maar deed dat uiteindelijk niet. De keelpijn trok weg.

De derde dag had ik last van mijn schenen. Die niets gewend zijn. Ik masseerde mijn kuiten, bovenbenen, IT-band, rekte mijn heupen, sliep elf uur achter elkaar. De scheenpijn verdween en ik dankte in gedachten de fysio uit Vallouise die me dat ooit eens heeft geleerd: als je ergens pijn hebt, masseer dan alle spieren rondom.

De vierde dag had ik last van mijn rechterknie.

etcetera etcetera

Er is elke dag iets, maar het verdwijnt tot nu toe steeds en ik word sterker en sneller. Over mijn longen had ik geen spanning hoeven hebben, die vinden het prima. Ik weet niet of ik het me inbeeld of niet, maar de lucht voelt hier zoveel schoner. Ik kan hier zoveel beter ademen. Dit beeld ik me zeker niet in: hier zijn is zo goed voor mij.

Er is een Engelsman met wie ik een eindje oploop. That was nice, sharing my whole life with a stranger, zegt hij wanneer we elk een andere kant opgaan.

Er is een koppel van mijn leeftijd die me helpt een bord te vertalen: het is verboden het pad te vervolgen in verband met onderhoud. We besluiten het bord te negeren, het is zaterdag, er wordt niet gewerkt. De eigenlijke reden is natuurlijk dat we anders weer honderden meters moeten dalen.
We passeren elkaar nog twee keer, als zij pauze houden, als ik pauze houd, en knikken dan samenzweerderig naar elkaar. In mijn hoofd oefen ik excuses.

Ik heb hier zoveel vragen:

  • Waarom kies ik ervoor om te wonen in slechte luchtkwaliteit, wat doet dat met mij, met ons? Hoe zou het voelen om de lucht van 100 jaar geleden, hier, in de bergen, in te ademen?
  • Welke dieren zitten hier en hoe dichtbij?
  • Wat in mijn leven is eigenlijk van mij, wat stuur ik, wat overkomt me?
  • Wat wil ik eigenlijk worden? (ik ben natuurlijk al vanalles, maar ook nog heel veel niet)

Er is het oranjerode van verkleurende bosbessen, er zijn dennenbomen, er zijn allerhande vogels, insecten, beestjes. De herfst is mijn lievelingsseizoen, dat wist ik al, nu weet ik weer waarom.

Twee ochtenden achter elkaar is er helemaal geen berg, alleen mist.

Ik vergat mijn nagelschaartje en leerde hoe vervelend ik lange nagels vind. Ik heb thuis een nagelschaartje uit Praag, één uit Zuid-Limburg en één uit Spanje, omdat me dit al vaker is overkomen. Daarna ontdekte ik dat je met een gewone schaar prima je nagels kunt knippen. Er zijn veel dingen die ik als essentieel zie, maar het niet zijn. Ik zou je niet nog een voorbeeld kunnen geven, want nu zie ik dat als essentieel.

Volgende keer meenemen: wandelstokken, thermosfles.

Er is een wankele trap. Het is glad, het was koud in de nacht. Ik treuzel, onderhandel met mijn hoogtevrees en laat een vrouw voorgaan. Allez-y zegt zij. Non, non, j’ai peur zeg ik. Moi aussi zegt zij. Dan doe ik het maar gewoon.

Het is makkelijk mensen ontmoeten als je geen gezelschap hebt.
Toch wandel ik meestal alleen, of beter gezegd, met mezelf. Aan het eind van de dag vraag ik me soms af wat ik al die tijd heb gedacht of gedaan, maar dat weet ik eigenlijk niet.

Er is een paadje langs een rivier, ik zie op een bordje dat je hier mag paardrijden. Later wordt het paadje heel smal, ik hoop dat ik geen paard tegenkom, ik zou niet weten hoe dat hier moet passen, stel dat het doodloopt, en je bent hier met je paard, zou je dan keren of achteruit moeten stappen? Hoeveel ruimte heeft een paard nodig om om te draaien?

Wat is eigenlijk mijn eigen keercirkel en moet ik daar rekening mee houden voor ik een bepaalde kant opga?

3 gedachten over “In de Franse Alpen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s