De vogelaar

Hij zei: ‘ik heb zo mijn principes’. Zijn vingers werden er koud van, maar het was pas net winter en

dan trek je nog geen handschoenen aan. We fietsten door de polder.

Een koude, beetje blauwe wijsvinger wees naar boven.

‘Zie je dat? Het is een buizerd!’ Ik zag een roofvogel, hij hing stil in de ijle lucht. Er kwamen geen

rookwolkjes uit zijn bek, toch denk ik dat hij het warm had. Of in ieder geval niet koud zoals wij.

Bidden noemen ze dat. Ik dacht aan de laatste keer dat ik zelf probeerde te bidden. Ik lag in bed en

praatte omhoog, mijn woorden als rookwolkjes verdwijnend. Ik vond het oneerbiedig dat ik op

gegeven moment maar wat mompelde en niet meer wist hoe het verder moest.

‘Een buizerd vliegt alleen maar vooruit.’ Hij vertelde nog meer. Over een komma op de onderkant van

de vleugel.

Zo’n grote vogel, zo weinig richting. Het is een beetje zoals ik. Ik kan al vliegen, maar ik ben nog niet

wendbaar. Ik weet nog niet hoe ik een kraai moet afweren.

Advertenties